Jonge kinderen met ontwikkelingsvoorsprong tonen hun intensiteit in hun leergierigheid. Ouders melden dat hun jonge kind zo gedreven is dat het lijkt alsof de energie onuitputtelijk is. Toch zien we dit vaak verdwijnen als sneeuw voor de zon, eens ze een paar jaar in het onderwijs zitten.
Wat kan de leerkracht anders doen?
Hoe kan deze grote gedrevenheid positief worden ondersteund opdat ook dit kind met ontwikkelingsvoorsprong en/of het (vermoedelijk) hoogbegaafde kind voldoende aan zijn trekken komt in de klas?
Moet je als leerkracht steeds weer grijpen naar spectaculair aanbod of zijn er een paar vuistregels waarmee je kan rekening houden? Je hebt er nu eenmaal 20+ in de groep…
Het antwoord vind je hier! Ik heb voor de ouder, voor de leerkracht een aantal basisprincipes bijeen gezocht in het wetenschappelijk onderzoek waarmee je rekening kan houden én die de motivatie van je (vermoedelijk) hoogbegaafde leerlingen tegemoetkomen – maar eigenlijk alle leerlingen op weg helpen en dus jouw klasaanpak fijner laten verlopen.
Moet het altijd leuk zijn?
Zingeving als motivator

Heel wat onderzoek werd uitgevoerd naar intrinsieke motivatie, op overleg – en van ouders en hun kinderen – hoor ik regelmatig dat het lesgebeuren “saai” is. Het gaat niet alleen om “leuk” en intrinsieke motivatie (Deci & Ryan, 2000); ook de emoties en bijhorende gedachten en de verwachtingen van buitenaf spelen een belangrijke rol (Weiner, 2000). Hoogbegaafde kinderen klagen vaak dat het aanbod saai is. Leerkrachten zien hen afhaken, niet doorzetten bij een moeilijker aanbod.
Steeds vaker wordt gewezen in de richting van de motivatie: dit zou dé oplossing zijn. Het klopt dat dit een belangrijke rol speelt, maar hoe? En moet het kind het steeds intrinsiek gemotiveerd zijn?
De opdeling tussen intrinsiek gemotiveerd en extrinsieke motivatie (opgelegd, hangt vast aan beloning) werd destijds door velen (Deci & Ryan, Dweck, Weiner, en vele anderen) onderzocht met allen eenzelfde doel: hoe kunnen we de motivatie bevorderen?
Onderzoek bij succesvolle kunstenaars (Ochse, 1990; Simonton, 1994) toonde destijds aan dat zij niet enkel worden gedreven door intrinsieke motivatie. Uiteraard vinden zij het belangrijk om hun ideeën in de wereld te brengen, hun emoties te kanaliseren via creatief werk en ervaren zij hier bevrediging bij. Een aantal streeft met hun kunst na om anderen ongelijk te bewijzen. Maar daarnaast is het voor de succesvolle kunstenaar evenzeer belangrijk dat dit werk gewaardeerd wordt: er staat een vergoeding tegenover, zij worden als kritiekwaardig gezien en ze streven ook wel de roem na. De combinatie maakt dat zij doorzetten en blijven creëren.
Dus zowel je competent voelen als je eigen stempel mogen drukken op een aanbod zijn goede motoren om in beweging te brengen en te houden.
Jongvolwassenen en volwassen hoogbegaafden benoemen vaak zingeving als een belangrijke motivator. Ze willen zich gewaardeerd voelen, hun inspanningen moeten zin hebben en ergens naartoe leiden. Jonge kinderen krijgen vaak weinig tot geen uitleg over het waarom (en dus het nut) van de taak die voor hen ligt.
Jonge kinderen hoeven het ook niet altijd alleen maar leuk te vinden, veel belangrijker is het om een evenwicht te vinden tussen interesse en de juiste context. Een context waarin zij autonomie krijgen en zich competent voelen. “Ik kan dit” blijkt een onontbeerlijke factor.
In het begeleiden van hoogbegaafde kinderen is het noodzakelijk om het kind als leerder te zien die behoefte heeft aan sturing en handvatten. Het schoolse leren komt niet vanzelf, ook deze leerling heeft de begeleiding van de leerkracht nodig om vooruit te geraken. En zeker bij verrijking blijkt vaak dat het kind onzeker wordt: het pikt de verwachtingen op, maar krijgt niet steeds spontaan de tools mee die het nodig heeft om de resultaten te behalen die verwacht worden. Enerzijds is het goed natuurlijk om het kind uit te dagen om na te denken, hoe spannend ook. Anderzijds blijft het een aandachtspunt om het kind ook net voldoende tools en informatie mee te geven die het op weg helpt.
“Ik kan dit!” als belangrijke motor
Een andere onontbeerlijke factor in het gemotiveerd zijn en blijven is een gevoel van competentie ervaren bij het uitvoeren van je taken. Bij hoogbegaafde leerlingen wordt nog te vaak gedacht dat zij minder uitleg nodig hebben, minder duiding hoeven en alvast minder inoefening want ze zijn toch… Niets is minder waar, ook deze l-e-e-r-l-i-n-g heeft zijn dosise instructie en inoefening nodig,. Alleen zal je in de praktijk inderdaad vaak merken dat het allemaal sneller gaat. Toch kan het alleen maar vooruit gaan als het kind ook overtuigd is van zijn kennen en kunnen.
Om tot autonome motivatie te komen heeft het kind ook een gevoel van competentie nodig: ik zit hier op mijn plaats, deze taak is niet onmogelijk voor mij. In theorie kan een goed verrijkingsaanbod taken voorzien waarbij het kind oefent in een hoge mate van technisch lezen en waarbij verschillende uitvoerende opdrachten worden gecombineerd. Bij leerling A, die beschikt over een goed stel leervaardigheden zal dit ook aanslaan. Bij leerling B die nog niet geoefend heeft met hoe hij moet leren, zal dit mogelijk leiden tot een schrikreactie. Hij snapt niet waarom hij alle andere opdrachten als vanzelf kan maken en deze niet. Leerling B haakt af, wil na een paar pogingen ook helemaal niet meer naar de verrijking: ik kan het toch niet!
Het is een aandachtspunt voor de leerkracht om goed te proberen in te schatten wat de leervaardigheden van het hoogbegaafde kind zijn. Alleen zo kan verrijking een fijne ervaring zijn voor beiden. De leerkracht voelt zich gesterkt in zijn aanpak, de leerling wordt uitgedaagd op niveau. Beiden voelen zich competent: een heel fijn gevoel dat vraagt naar meer.
Hoe kies je een geschikt verrijkingsaanbod?

Net zoals bij het stimuleren in de thuiscontext is het steeds belangrijk dat je vertrekt van je eigen interesses. Wat jou niet prikkelt zal je ook niet kunnen uitdragen. Het oprechte enthousiasme voor een onderwerp maakt dat er een luisterband ontstaat met je leerling. Het kind voelt je gedrevenheid en wil meer weten: wat maakt dit zo boeiend?
Het kind hoeft op dit moment ook helemaal niet autonoom gemotiveerd te zijn. Kinderen volgen de leerkracht, ook de hoogbegaafden (althans tot op zekere hoogte).
Het prikkelt, er wordt iets nieuw aangeboden en de volwassene toont met zijn ganse zijn dat dit iets boeiend kan zijn. Laat me dit maar eens gaan verkennen…
Hoe vaak heb je dit als ouder niet gedaan met jonge kinderen?
Wees evenwel authentiek en durf ook aan te geven wanneer iets saai is. Leg dan uit wat de toepassing ervan kan zijn, geef duiding bij het nut ervan en dat zal de motivatie ook prikkelen. Je kan oudere kinderen ook uitnodigen om zelf op zoek te gaan naar voorbeelden van toepassingen. Bij jonge kinderen, onervaren in de leervaardigheden en onderzoeksompetenties, zal je moeten helpen.
Om vlot te functioneren in het onderwijs heeft het kind een toolbox nodig. Niet weten hoe je iets moet opzoeken, een aantal hoogbegaafde kinderen snapt niet wat het betekent om te studeren. Niemand heeft ze ooit uitglegd hoe studeren werkt, wat je precies moet doen is 1 ding maar ze willen ook weten hoe de informatie in de hersenen wordt opgeslagen.
Het helpt hen om tools aan te reiken die ze kunnen inzetten om informatie te verwerken. Zij verwerven deze tools helaas niet altijd spontaan, daar zijn ze net anders dan de andere leerlingen in de klas.
Een 3e onontbeerlijke factor in het gemotiveerd zijn en blijven is dat je taken krijgt waarbij je een competentiegevoel ervaart. Je weet dat je hulp kan inroepen en vindt dat ook OK. Je snapt wat er gevraagd wordt, je beschikt over een toolbox die je kan inzetten om je probleemoplossend vermogen nog beter te laten werken.
Een geschikt verrijkingsaanbod houdt rekening met het kind dat voor je zit: welke interesses heeft het, hoe denkt het over zichzelf in termen van competentie en beschikt het over een toolbox die het kan inzetten. En mag ik daaraan toevoegen: wordt begeleid door een leerkracht die zich net zo voelt.